Kanttekeningen bij duinzoomontwikkeling
Egmond-Binnen

Stichting De Wielenmaker probeert al jaren lang om de duinbeheerder te wijzen op de slordige wijze waarop met ons landschap wordt omgegaan en op de geologische, geomorfologische en cultuurhistorische waarden die door de grootschalige ontgrondingen verloren gaan. Bovendien is ontgronden niet de meest kansrijke en innovatieve beheermaatregel zoals kennelijk gedacht wordt.
In hoog tempo verdwijnen natuurlijk reliëf en oude verkavelingspatronen uit Noord-Holland. Natuurontwikkeling is daar een van de oorzaken van.
Enige kanttekeningen zijn dus wel op zijn plaats.

Natuurontwikkeling
De problemen waar een natuurbeheerder voor staat zijn bekend: verdroging, verzuring, vermesting zijn de bekendste. De oorzaken van deze problemen kunnen niet door de beheerder worden weggenomen, zij liggen buiten zijn bereik. Bestrijding van de problemen is dus altijd symptoombestrijding. Dit kan gebeuren door ontgronden, afplaggen, maaien en afvoeren, begrazen of 'uitmijnen'.

Verdroging
Door grond af te graven tot het grondwater ontwikkel je een vochtig gebied, maar je verhoogt er het peil niet mee, nee door het zand af te voeren verlaag je het peil.
Vernatting kan maar op twee manieren gebeuren:
1. door toename van de neerslag
2. door afname van de verdamping
In het eerst geval heeft de natuurbeheerder geen enkele invloed, dit is volledig afhankelijk van hoe het klimaat zich ontwikkelt. In het tweede geval heeft de beheerder wel invloed. Door bijvoorbeeld dennenbossen te vervangen door gemengd bos neemt de verdamping af. Maar door grond af te graven en af te voeren neemt de verdamping juist toe en dus ook de verdroging van het duin.
Bij doorzettende verdroging (gekoppeld aan een zeespiegelverhoging) kan het in de toekomst ook leiden tot verzilting.

Verzuring en vermesting
Depositie van verzurende en vermestende stoffen neemt nog steeds toe, is internationaal en -zoals eerder gezegd- ligt de aanpak van dit probleem niet bij de natuurbeheerder. Hij kan het slechts signaleren en bestuurders er op wijzen.
Op langere termijn zal de biodiversiteit dus weer afnemen en zal weer afgegraven moeten worden, waarbij we toekomende generaties met hoge kosten opzadelen.

Ontgronding
Voor de natuurontwikkelingsprojecten bij Egmond-Binnen is gekozen voor grootschalige ontgronding. Honderdduizenden m2 voedselrijke grond zijn afgegraven en afgevoerd uit de duinen. Grond die verrijkt is door landbouw in het verleden en vermesting uit het heden.
Door het zand af te voeren op deze schaal, valt dit onder de noemer afzanding. Dit was in de vorige eeuw een van de hoofdoorzaken van de verdroging van de duinen en werd verboden. Zand afvoeren uit een natuurgebied is niet meer van deze tijd.
Met het afvoeren is ook een rijk bodemleven verdwenen en het duurt decennia voor zich hier weer via bodemvormende processen een stabiel milieu heeft ontwikkeld.
Het zand is elders gebruikt als ophoogzand, is niet zwaar vervuild en heeft ook natuurpotenties.
Het stuk grond dat grenst aan de Adelbertusakker is archeologisch waardevolle grond en toch wordt ook hier bovenlaag verwijderd. Daarna wordt weer schraal zand aangebracht om de archeologische waarden te beschermen. Dit schrale zand is echter afkomstig uit Schoorl.
Zoals bekend is het duinzand in Schoorl kalk- en mineraalarm, witter van kleur en afkomstig van oudere kwartsrijke kalkarme Pleistocene afzettingen van noordelijke riviersystemen. Het zand bij Egmond-Binnen is afkomstig uit jonge Pleistocene afzettingen van centraal-Europese rivieren en relatief rijk aan kalk, ijzer en aluminium. Kalkarm zand vervangt hier dus het kalkrijk zand. Er is een verschil van betekenis in de bodemchemie tussen het Renodunaal- en het Waddendistrict waardoor zich bij Egmond-Binnen een andere - gebiedsvreemde - vegetatie zal ontwikkelen. Bovendien is het een aanslag op het geologisch archief.

Het lijkt er op dat met ontgronden geld te verdienen is, maar dat kan nooit de bedoeling van natuurontwikkeling zijn.

Milieuaspecten
Er is meer dan 100.000 m3 zand afgevoerd en een groot deel daarvan is gebruikt om een weg aan te leggen bij Schoorldam.
100.000 m3 zand is 160.000 ton dat met vrachtwagens is afgevoerd over een afstand van 18 km. Dat is 160.000 x 18km ton.
De zuinigste vrachtwagen heeft een CO2 uitstoot van 210 gram per km ton. Dit betekent voor het zandtransport in totaal een uitstoot van minstens 160.000 x 18 x 210g is ruim 60.000 kg CO2. Daar komt de terugweg van de vrachtwagen nog bij.
Tel er de CO2 uitstoot van kranen, shovels en trekkers die wekenlang bezig zijn bij op. Naast uitstoot van CO2 is er ook uitstoot van SO2 en stikstofoxiden.
Afgezet tegen de totale emissie van het verkeer is dit natuurlijk gering, maar afgezet tegen de wens om de emissie te beperken is dit een aanzienlijke hoeveelheid.
Zo is natuurontwikkeling zelf medeverantwoordelijk voor de achteruitgang van de natuur.
De vraag komt dan op of het afgevoerde zand werkelijk zo vervuild is dat deze werkwijze gerechtvaardigd is. Het is wel interessant om de komende jaren te monitoren op de plekken waar het zand is afgegraven en waar het zand is gedeponeerd. Om te zien hoe flora en fauna zich daar ontwikkelen.
Ga in het voorjaar maar eens kijken op de begraafplaats in Heiloo, waar vier jaar geleden 30.000 m3 zand is heengebracht van de Diederik (aan de Herenweg tussen Egmond-Binnen en Castricum). Het is net of je door een schraal kalkrijk grasland loopt.

Kan het anders?
De vermestende stoffen in de bodem (met name stikstof en fosfaten) leiden tot een toename van ruige vegetatie en daardoor krijgen de fijnere soorten geen kans.
Zoals gezegd is afgraven een middel om te verschralen, aangevuld met begrazing of maaien kun je daarna de vegetatie in stand houden.
Een ander (duurzamer) middel is het zogenaamde uitmijnen. De grond wordt ingezaaid met bijvoorbeeld klaver. Jaarlijks wordt de vegetatie gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. Hiermee worden ook de vermestende stoffen afgevoerd. Het maaisel kan als biomassa worden gebruikt voor duurzame energieproductie. De bio-energiecentrale van Alkmaar is vlakbij.
Zo worden het oorspronkelijke landschap en de aardkundige waarden niet aangetast.
De vraag is gerechtvaardigd of uitmijnen op den duur een gelijkwaardig resultaat heeft als afzanden. In ieder geval is het een goedkopere en meer natuurlijke wijze van natuurbeheer en het cultuurhistorisch landschap blijft onaangetast. Er zijn uit langdurige reeksen sinds de 70'er jaren in het Wageningse Binnenveld, De Baronie Cranendonck en Loefvledder aanwijzingen verkregen dat ook zonder ontgronden de productiviteit van fosfaatverrijkte gronden binnen tien jaar tot gewenste lage niveaus kan worden teruggebracht.

Cultuurhistorisch beheer
In de binnenduinrand moet een duidelijke keuze gemaakt worden voor cultuurhistorisch beheer. De vraag moet niet zijn hoe groot de biodiversiteit moet zijn of welke soorten we willen hebben. Er moet plaats zijn voor kleinschalige landbouw en zelfs bollenteelt moet kunnen (mits dit op biologische wijze gebeurt), want dat hoort bij de geschiedenis van het gebied. Er moet een plaats zijn voor de mens in het landschap. Niet alleen als waarnemer maar ook als gebruiker. Een landschap waar de bewoners zich betrokken bij voelen.
Als menselijke activiteiten worden afgestemd op de ecologische kwaliteiten komen de natuurwaarden vanzelf.  Dan kunnen landschap en natuurontwikkeling elkaar versterken.

Kortom natuurontwikkeling zoals dat plaatsvindt bij Egmond-Binnen (en niet alleen daar) bewijst de natuur, het milieu, het landschap en de cultuurhistorie geen goede dienst.
Blijft De Wielenmaker een roepende in de woestijn? Nee, gelukkig komt het onderwerp steeds vaker ter sprake, zie het novembernummer (2010) van Vakblad Natuur Bos Landschap.

duinzand

Bronnen

Landschap in de EHS; EHS in het landschap
J. Renes, Universiteit Utrecht
Landschap nr. 3 – 2006

Zorg voor het landschap vereist historisch perspectief
A. Barendregt et al.
Forum – Landschap

Gekooide wildernis of verwilderd Arcadië?
M. Schouten
Vakblad Natuur Bos Landschap, januari 2010

Praktijkhandleiding evenwichtige verschraling van natuurgronden
N. van Eekeren en F. Smeding
Louis Bolk Instituut

Natuurontwikkeling op voormalige landbouwgronden in relatie tot de beschikbaarheid van fosfaat
F.P. Sival en W.J. Chardon (Alterra)
Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem
April 2002

Kanttekeningen bij ontgronden voor natuur
Rolf Kemmers en Bas van Delft (Alterra)
Vakblad Natuur Bos Landschap, november 2010

Bodemchemie in de duinen
Annemieke Kooijman
Vakblad Natuur Bos Landschap, december 2010

De vorming van het land
Inleiding in de geologie en de geomorfologie
H.J.A. Berendsen

http://www.greenfacts.org/nl/

http://www.skbodem.nl/

http://www.hier.nu/klimaatneutraal/energiebesparing/